geamuseerdheid

vrouwelijk (de)/ɣəˌʔamyˈzerthɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het geamuseerd zijn
    Buijs herkent die geamuseerdheid bij de plaatselijke bevolking. "Dat is nog steeds zo. Elke generatie onderzoekers overkomt hetzelfde, mij ook. Het zijn vaardigheden die de kindertjes daar al leren, maar die je mist als je er als student van 20 komt.

Etymologie

* afleiding van geamuseerd