gebrom
onzijdig (het)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een dof trillend geluidHet plan heeft geleid tot onrust onder omwonenden. Met name de bewoners van de Charloise Lagedijk vrezen het gebrom en de slagschaduwen die windmolens voortbrengen. De huizen aan de historische dijk liggen het dichtst bij de beoogde locatie. NRC Frank de Kruif 24 februari 2017
- uiting van ontevredenheidRaskatov maakte er met spaarzaam ingezette instrumenten kale, onheilszwangere muziek bij. Dreigend gespook, geratel, gebrom en gegrom ondersteunt de partij van de imposante bas Nikolaj Didenko, die vaak vol mag uithalen in verontwaardigde klaagkreten. NRC Jochem Valkenburg 19 april 2011
Etymologie
* van brommen
Vertalingen
Engelshum, grumbling
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek