gebruiken
/ɣəˈbrœykə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) zich bedienen van, toepassenPiet gebruikte een ladder om op het dak te komen.`Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebruikt zal worden. Niet alleen voor de jeugd, in gezin en school, maar ook door alleenstaanden en zieken. Kortom: allen die zich willen verdiepen in de 'feestelijke' kant van het leven.Langzaam kreeg ik door hoe ik ze het beste kon gebruiken en merkte ik dat ze mijn knieën vooral bergafwaarts ondersteunden.
- (ov), (voeding) consumeren, eten, nuttigenOp Goede Vrijdag mochten wij alleen brood en water gebruiken.
- (intr), (pregnant), (eufemisme) aan de "drugs" zijnHoelang gebruik je al?
Etymologie
afgeleid van bruiken
Vertalingen
Engelsuse
Fransemployer
Duitsgebrauchen, verwenden, benutzen
Spaansemplear, hacer uso de, usar
Italiaansimpiegare, usare
Portugeesempregar, servir-se de, usar
Russischиспользовать
Turkskullanmak
Poolsużywać
Zweedsanvända, begagna, bruka
Deensbenytte, bruge, tilbringe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek