gebruiken

/ɣəˈbrœykə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) zich bedienen van, toepassen
    Piet gebruikte een ladder om op het dak te komen.
    `Van Sinterklaas tot Sintemaarten' is bestemd voor Nederland en Vlaanderen. Wij hopen van harte dat het boek, mede door de grote toewijding waarmee Otto Dicke het heeft geïllustreerd, met vreugde gebruikt zal worden. Niet alleen voor de jeugd, in gezin en school, maar ook door alleenstaanden en zieken. Kortom: allen die zich willen verdiepen in de 'feestelijke' kant van het leven.
    Langzaam kreeg ik door hoe ik ze het beste kon gebruiken en merkte ik dat ze mijn knieën vooral bergafwaarts ondersteunden.
  2. ov, voeding (ov), (voeding) consumeren, eten, nuttigen
    Op Goede Vrijdag mochten wij alleen brood en water gebruiken.
  3. intr, pregnant, eufemisme (intr), (pregnant), (eufemisme) aan de "drugs" zijn
    Hoelang gebruik je al?

Etymologie

afgeleid van bruiken

Vertalingen

Engelsuse
Fransemployer
Duitsgebrauchen, verwenden, benutzen
Spaansemplear, hacer uso de, usar
Italiaansimpiegare, usare
Portugeesempregar, servir-se de, usar
Russischиспользовать
Turkskullanmak
Poolsużywać
Zweedsanvända, begagna, bruka
Deensbenytte, bruge, tilbringe