Geel

onzijdig (het)/ɣel/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleur (kleur) primaire kleur zoals die van licht met een golflengte van ca. 570 - 582 nm
    Het geel van deze afbeelding steekt scherp af tegen het blauw.
    Veel sterker dan op de Autoroute ervaar je hoe het landschap langzaam van kleur verschiet, van het sappige groen van de Bourgogne naar het azuurblauw van de Méditerranée, via het droge geel van de Provence.
    Ik duwde de deur met beide handen open en zag dat er ’s nachts een dik pak sneeuw was gevallen, waarvan een stukje geel kleurde toen ik er mijn waterfles in leegde.
  2. diergeneeskunde (diergeneeskunde) aandoening van keel, luchtpijp en krop veroorzaakt door een ééncellige parasiet,
    Vroeger was het geel een gevreesde, want dodelijke, ziekte die nu veelal genezen kan worden.

Etymologie

#met een kleur als een eierdooier of een citroen

Uitdrukkingen

  • Groen en geel voor de ogen wordenduizelen en/of erg van schrikken

Vertalingen

Engelsyellow, yellow, canker
Fransjaune, jaune
Duitsgelb, Gelb, gelber Knopf
Spaansamarillo, amarillo
Italiaansgiallo, giallo
Portugeesamarelo, amarela
Russischжёлтый
Chinees黄色
Japans黄色
Turkssarı
Poolsżółty, żółćy, żółty guzek
Zweedsgul
Deensgul