geestelijke
mannelijk (de)/ˈɣestələkə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (religie) iemand die voor een geloof werktIn januari 1854 overleed bisschop Mynster, de meest vooraanstaande geestelijke van het land.De man die we laatst in de kerk zagen, is een geestelijke.De abt vond het spotternij om die heilige ruimte te vullen met gezang voor zulk een wereldse geestelijke.
Etymologie
*Afgeleid van geestelijk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek