geest
mannelijk (de)/ɣest/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (psychologie) dat wat zich afspeelt in iemands gedachten„Je kunt niets met je geest”, zei ze tegen V. M., „als je een ernstige ziekte hebt. Mensen kunnen zo veel pijn hebben, of jeuk, dat ze suïcide willen plegen. Zodra de pijn weg is, is de geest weer op orde.”[https://www.nrc.nl/nieuws/2025/08/07/gezondheidspsycholoog-andrea-evers-ontdekte-dat-je-met-je-geest-weinig-kunt-als-je-ernstig-ziek-bent-a4902400 www.nrc.nl (7 aug 2025)]Mijn lichaam en geest waren volledig in harmonie met elkaar.'Daar stonden ze, helm aan helm, geweer aan geweer, als in steen gehouwen. Ik werd met trots vervuld dat ik het bevel mocht voeren over een handvol mannen die mogelijk in stukken konden worden gereten maar zich niet lieten overwinnen. Op dit soort momenten triomfeert de menselijke geest over de enorme kracht van de materie.
- een onsubstantieel wezenKinderen zijn vaak bang van geesten.
- personen met een bepaalde attitudeOp de trail had ik eindelijk het gevoel een hippie te zijn omdat ik in een gemeenschap leefde van vrije geesten, kleurrijk en stoffig.
Etymologie
* In de betekenis van ‘grond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 911
Vertalingen
Engelsmind, spirit, ghost
Fransesprit, fantôme, esprit
Spaansespíritu, espíritu
Russischум
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek