ziel

mannelijk/vrouwelijk (de)/zil/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. psychologie, religie (psychologie), (religie) het veronderstelde wezen van het niet-stoffelijke van de mens
    Hij is misschien wel overleden, maar zijn ziel zal altijd voortleven.
    Ik heb aan het begin van mijn carrière de fout gemaakt dat ik mijn ziel in mijn werk legde. Dat moet je niet doen, want je krijgt hem niet terug, niet in dezelfde staat tenminste. Ik neem mijn ziel met me mee de zaal uit, maar hij voelt steeds minder eigen, eerder als een vergeten rekwisiet dat ik uit beleefdheid meeneem voordat de lichten doven.{{Aut|Harstad, Johan
    Graag zou ik willen geloven in een ziel die doorleeft na de dood, maar ik geloof eerder dat de zielen van onze overleden vrienden voortleven in de harten van mensen die aan hen terugdenken.
  2. oenologie (oenologie) ronde instulping in bodem van een wijnfles

Etymologie

* (erfwoord) van Oudnederlands sēla/siela. In de betekenis van ‘geest’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • Door de ziel snijdenZeer aangrijpend, bedroevend, schrijnend zijn
  • Een goed geloof en een kurken ziel dan kunje drijvenStoett [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0656.phpv651 www.dbnl.org]
  • Hoe hoger het hart, hoe lager de zielDwaasheid wordt gekenmerkt door hoogmoed
  • Iemand op de ziel trappenIemand zwaar beledigen of kwetsen
  • Iemand op zijn ziel gevenStoett [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_2780.phpv2646 www.dbnl.org]
  • Lichaam en zielDe mens in zijn geheel (d.w.z. het stoffelijke èn het onstoffelijke)
  • Met hart en ziel (doen)Met plezier en passie iets doen
  • Met zijn ziel onder de arm lopenZich vervelen

Vertalingen

Engelssoul, punt
Fransâme
DuitsSeele
Spaansalma
Italiaansanima
Russischдуша
Japans霊魂, れいこん, reikon
Poolsdusza