zielenknijper

mannelijk (de)/ˈzilə(n)ˌknɛipər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, pejoratief (beroep) (pejoratief) psycholoog, psychiater
    Hij was weer eens naar de zielenknijper geweest.

Etymologie

*Samenstellende afleiding van ziel en de stam van knijpen