gelovigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand gelooft in een opperwezen
    Dat 85 procent van de bevolking gedoopt is, zegt niets over hun gelovigheid.
    Niet alleen blijven de kerken in Nederland gestaag leeglopen, ook de gelovigheid neemt onder Nederlanders sterk af. Steeds minder Nederlanders geloven nog in God of in een leven na de dood.
  2. het geloof in een opperwezen

Etymologie

* afleiding van gelovig

Vertalingen

Engelsdevoutness, piety