geluid
onzijdig (het)/ɣəˈlœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) trillingen die zich voortplant als een langsdrukgolf in de lucht of andere elastische stof (materie) en die door het oor waargenomen kunnen worden's Avonds hoorden wij in onze hut in het Krugerpark allerlei geluiden.Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.Doordat de wind recht mijn kant opblies en het geluid van de donder steeds dichterbij kwam bleven mijn tranen stromen. Deze storm zou ik moeten overleven boven op Mount Whitney, 4.421 meter hoog.
- standpunt, meningDit geluid wordt in die kringen steeds vaker gehoord.
Etymologie
* : Middelnederlands gheluut ‘geluid, geschreeuw, gericht, faam’, afleiding uit het verouderde luut (m)/(n) ‘geluid, rumoer, stem, het vermelden, inhoud, vonnis’ (nog in de uitdrukking naar luid van), een substantivering van het luut ‘luid, luidruchtig’. Evenals Middelnederduits gelūt ‘geluid, lawaai, gerucht’, Oudfries hlūd ‘geluid, lawaai’; verder Duits Geläut(e) ‘klokgelui’.
Vertalingen
Engelssound
Fransson
DuitsSchall, Ton, Klang
Spaanssonido, son
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek