gemeente

vrouwelijk (de)/ɣəˈmentə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bestuurlijke eenheid in een staat, onder bestuur van een raad, een burgemeester en wethouders of schepenen
    In zijn eigen gemeente is de burgemeester uitzonderlijk populair.
  2. de gezamenlijke gelovigen van een bepaald kerkgenootschap of in een bepaalde kerk bijeen
    De pastoor deed zijn uiterste best om aan de behoeften van zijn gemeente te voldoen.
    Op zondagochtend fietste ik richting onbekende kerkklokken om te zien of de gemeente en de sfeer daar iets voor mij was.

Etymologie

*afgeleid van gemeen (gemeenschappelijk)

Vertalingen

Engelsmunicipality, parish, congregation
Franscommune, communauté
DuitsGemeinde, Gemeinde
Spaansmunicipio, cofradía, congregación
Poolsgmina
Zweedskommun, församling