geschiedschrijver
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- wetenschapper die de geschiedenis bestudeert, beschrijver van vroeger tijden'Wist je dat er in 1635 een heel volksoproer ontstond in Amsterdam, toen drie weken lang achter elkaar tegen zonsondergang een grote vogel op het torenkruis van de Oude Kerk neerstreek? Volgens geschiedschrijvers was hij groter dan een gans en grauw van kleur, en aasde hij op dode lichamen. Tegenwoordig zou je natuurlijk denken aan een gier. Die kwam als dwaalgast soms wel eens voor in deze streken, maar wisten zij veel? Thomas Olde Heuvelt HEX {{ISBN|978-90-245-7334-9
Etymologie
* van geschiedschrijven
Vertalingen
Engelshistorian
Spaanshistoriador, historiógrafo
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek