gesprek

onzijdig (het)/ɣəˈsprɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. communicatie (communicatie) een mondelinge conversatie waarbij informatie uitgewisseld wordt
    Het gesprek werd onderbroken doordat zijn mobiele telefoon afging.
    De musici zwaaien naar de man en verlaten zijn kamer. Groot: „Deze meneer probeerde zijn ene hand bij de andere te krijgen. Misschien wilde hij voor ons klappen.” Een verpleegkundige begint even later een gesprekje met de patiënt over de gespeelde muziek. Reformatorisch Dagblad Gert de Looze 12-01-2019 [https://www.rd.nl/muziek/een-menselijke-noot-op-de-intensive-care-1.1540287 Een menselijke noot op de intensive care]
    Drie nachten bleef ik in deze hemelse tuin en genoot van films en gesprekken met de andere hikers.
  2. het overleggen met jezelf of met anderen
    Constant was ik met mezelf in gesprek over praktische zaken, zoals hoeveel water mee te nemen en wat te doen als ik zou verdwalen, tot mezelf afvragen of ik niet te ver was gegaan door mijn gezin zo lang te verlaten.

Etymologie

* van spreken.

Uitdrukkingen

  • Het gesprek van de dagEen onderwerp dat volop in de belangstelling staat, vaak door iets onverwachts
  • In gesprek zijnVerwikkeld zijn in een (m.n. telefonisch) gesprek, en daardoor niet bereikbaar voor andere zaken

Vertalingen

Engelstalk, conversation
Fransconversation
DuitsGespräch
Spaansconversación, charla, plática
Deenssamtale