gesprekspartner

mannelijk (de)/ɣəˈsprɛkspɑrtnər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een persoon die deelneemt aan een gesprek
    De gesprekspartner was nogal irritant aanwezig.
    "En geloof het of niet, mijn gesprekspartner had zo'n stukje stof bij zich en heeft het meteen aan mij gegeven. Met de stof heb ik over mijn hoofd en nek gewreven. Toch is het niet een reliek dat je geneest, dat is je geloof. De behandeling is aangeslagen omdat ik en al die mensen die voor mij gebeden hebben, rotsvast geloofden dat dat kon."

Vertalingen

Engelsinterlocutor
Spaansconversador, interlocutor