gevlucht

onzijdig (het)/ɣəˈvlʏxt/

Betekenis

werkwoord
  1. van een persoon of dier dat hij of zij ergens weggegaan is uit angst voor iets of iemand
    De voor het vuur gevluchte dieren moesten de rivier over zwemmen.
    De voor de oorlog gevluchte mensen moeten in hun nieuwe land ook een nieuwe taal leren.
    Zij zijn geboren in Paramaribo en verhuisden in ‘37 naar Veere en namen daar een gevlucht Duits joods jongetje op.
zelfstandig naamwoord
  1. molenaarsambacht (molenaarsambacht) de wieken van een molen en daarbij behorende onderdelen
    De tweede fase van de restauratie van de Ceres-molen bestaat uit het herstel van de kap, de aandrijflijn van de molen en het gevlucht, oftewel het wiekenkruis.
  2. molenaarsambacht (molenaarsambacht) toerental van een molen
  3. verouderd (verouderd) afstand tussen de uiteinden van de uitgespreide vleugels, soms ook gebruikt voor de afstand tussen de uiteinden van de hoorns van dieren

Etymologie

*[B] afgeleid van "vlucht"