gezin

onzijdig (het)/ɣəˈzɪn/

Wat is de betekenis van gezin?

gezin betekent: (familie) huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. familie (familie) huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen

Voorbeelden van "gezin" in een zin

  • ‘Ik ben op weg naar een huisje op een vakantiepark in Venlo, een weekendje weg met ons gezin, mijn ouders en mijn zus. Dat doen wij een keer per jaar, en dit was al een half jaar van tevoren gepland.
  • Franse kinderen schreeuwen nietTerwijl Nederlandse moeders over het strand schallen: 'Kevin, hiieeerrr kooomeeen…’, praten Franse moeders alleen op gedempte toon met hun kinderen. Sterker nog; ik heb een heel gezin naast ons een hele dag lang alleen op fluistertoon met elkaar horen praten. Niemand viel uit zijn of haar rol. Heerlijk rustig. Waarom moeten wij eigenlijk altijd zo tetteren?

Betekenis en uitleg van gezin

Een gezin is een groep mensen die samenleven en vaak een sterke emotionele band met elkaar hebben. Dit kan bestaan uit ouders en kinderen, maar ook andere samenstellingen zijn mogelijk, zoals samengestelde gezinnen of gezinnen met meerdere generaties.

Het woord 'gezin' wordt vaak gebruikt om de meest directe sociale eenheid aan te duiden waarin mensen samenleven en elkaar ondersteunen. In gesprekken over sociale structuren, opvoeding of gezinsdynamiek komt het woord regelmatig voor. Het kan ook nuances van zorg en verantwoordelijkheid uitstralen, vooral in de context van het opvoeden van kinderen.

Voorbeelden

  • Na een lange werkweek is het fijn om weer tijd door te brengen met het gezin.
  • In sommige culturen speelt de uitgebreide familie een belangrijke rol binnen het gezin.
  • Gezinsuitjes zijn een mooie manier om samen herinneringen te maken.

Woordoorsprong

Het woord 'gezin' komt van het Oudnederlands 'gesein', wat 'samen zijn' betekent, en heeft zijn oorsprong in het idee van samenhorigheid en verbondenheid.

Veelgestelde vragen over gezin

Wat is de betekenis van gezin?

gezin betekent: (familie) huishouden bestaande uit een of meer ouders en hun kinderen

Welk woordgeslacht heeft gezin?

gezin is een onzijdig (het).

Hoe gebruik je gezin in een zin?

Voorbeeld: “‘Ik ben op weg naar een huisje op een vakantiepark in Venlo, een weekendje weg met ons gezin, mijn ouders en mijn zus. Dat doen wij een keer per jaar, en dit was al een half jaar van tevoren gepland.

Etymologie

* van zenden

Uitdrukkingen

  • een gezin stichten

Vertalingen

Engelsfamily
DuitsFamilie
Spaansfamille, familia