gezinszorg

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overheidsinstelling voor de verzorging van gezinnen in nood
    Eenmaal volwassen trouwden de vrouwen, ondanks pogingen om in Amsterdam leuke jongens te ontmoeten, allebei met een Tukker. Annie werkte in de gezinszorg, Gerda bestierde in Enter met haar man kruidenierszaak Mekenkamp. Later handelde de zaak ook in manufacturen. Of zoals een familielid het verwoordt: "Jullie verkochten ook lingerie." Tubantia Ron Hemmink 13-04-2017