gezweef

onzijdig (het)/ɣəˈzwef/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voortdurend vliegen zonder dat er kracht gezet hoeft te worden
  2. het bij aanhouding vaag en weinig concreet bezit zijn
    Dat ontaardt niet in ijl gezweef, maar geeft aanleiding tot fijne schetsen van geluk, liefde, pijn. De Standaard 1 juni 2002 K. Verhoeven [http://www.standaard.be/cnt/dst01062002_070 Zwitserland toont zich in nationale "Expo.02" met vernuft en verbeelding]
    In de beginjaren durfde er al wel eens een metalliefhebber klagen dat het nu maar eens gedaan moest zijn met dat gezweef op zondagavond (…). De Standaard 30 januari 2010 | S. Van der Speeten [http://www.standaard.be/cnt/jc2li59t 'We klinken tegenwoordig behoorlijk braaf!']
    Wat een geraas, gezwets en een vaag gezweef - denk ik nu - nu ik mijn stuk teruglees. Het kan ook goed door mijn slapeloze nacht komen. Ik weet het ook niet... Tubantia P. uit het Broek 10 juli 2017 [https://www.tubantia.nl/opinie/ik-weet-het-ook-niet-en-dat-is-zo-slecht-nog-niet~a60d939b/ Ik weet het ook niet, en dat is zo slecht nog niet]

Etymologie

* van zweven