glazigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het lijken op glas
  2. het niet meer helemaal helder uit de ogen kijken
    Dit laatste scheen te worden bevestigd door haar hand die, gretig, steeds sneller ging, en door een versnelling en verheviging van haar adem, terwijl haar ogen, ofschoon niet meer dan half gesloten en wel degelijk op de man naast haar gericht, hem in hun glazigheid niet langer leken op te nemen.
  3. niet helemaal goed gekookt zijn van aardappels
  4. het licht gebakken zijn van ui

Etymologie

* afleiding van glazig

Vertalingen

Engelsglassiness