gok
mannelijk (de)/ɣɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) een zeker kansspel, vooral met dobbelstenenHet Gok-spel op de Wandelpier. Er wordt zwaar gegokt op de wandelpier, Riep een Kam er groepje met heel veel getierkerels, die vrouwen en kinderen lieten krepeeren van honger in winternaakte. Zoo ging laatste duit in hevige zuipkoorts en driftigen gok, naar vettige, joviale, buldoggige kasteleins, die meerookten pijpen, pijpen vol zware tabak,Maar Jan Voetlicht verklaarde, ondanks het gevaar waarin de jongens verkeerden, dat alles moest wijken voor de chaske, den gok en den bik.
- een keuze zonder het juiste antwoord te wetenMaar zoo heeft Lange Willem het ook weer niet bedoeld. Als ze allemaal meedoen, dan zal hij niet mankeeren. Zoo is Lange Willem niet! Het blijft alleenig een gok, as je dat maar weet.Het was een gok, maar ik heb toch het juiste antwoord gekozen.
- een buitensporig grote neusZijn neus (die van den Amsterdammer) is zijn snuffer, een aardig beeldend woord, of zijn voorgevel, scheg, kokkel, gok en bom, vooral als het voorwerp wat groot van stuk is.Je zal toch met zo'n gok gezegend zijn...
Etymologie
*[3]: herkomst onzeker, mogelijk (oorspronkelijk) Rotterdams, voor het eerst aangetroffen in 1948 Een verkorte vorm van "kokkerd" “iets groots, grote neus” (met dissimilatie van k .... k > g ... k) ?
Vertalingen
Engelsbet, gamble, venture
Franscoup de dés, pif, tarin
DuitsGlücksspiel, Wagnis, Zinken
Spaansaventura, napias, narizota
Italiaansazzardo, nasone, proboscide
Russischриск, рубильник
Zweedschansning, kran
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek