golf
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɔlᵊf/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- meestal door de wind veroorzaakte verheffing van de waterspiegelIn een modern zwembad slaan de golven over de rand heen, zodat ze niet weerkaatsen tegen de wand.Was hun koning, Willem de Veroveraar, niet tijdens een geweldige storm, dankzij de heilige Nicolaas, veilig van Normandië naar Engeland gevaren? Want Nicolaas was in staat de wind en de onstuimige kracht der golven te doen bedaren!
- (natuurkunde) natuurkundige verstoring die zich voortplant via een medium als water of luchtDe zee rimpelt, een rimpeling wordt een golf en wanneer ik met mijn hele lijf naar voren plons, woelt het zand los van de bodem.Als ze haar blik weer over de rondsjouwende mensen in de kerk laat dwalen, stuwt haar hart een hete golf bloed naar haar maag.
- (figuurlijk) plotselinge tijdelijke toename van een verschijnselEen golf van vragen.In de derde feministische golf wordt gestreden voor gelijk loon voor gelijk werk.Spoelt er een linkse golf over Europa?
- (aardrijkskunde) een grote baaiDe Golf van Biskaje is een grote baai.
- (elektronica) frequentieband voor radioverkeerstem eens af op de korte golf!
zelfstandig naamwoord
- (sport) balspel waarbij een golfbal met een golfclub in een aantal slagen in de hole moet worden geslagen.
Etymologie
*[B]: van "golf", in de betekenis van ‘balspel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1890;Vermoedelijk terugontlening via """ van Middelnederlands "colf" "slaghout voor het kolfspel"
Uitdrukkingen
- olie op de golven gieten — kalmeren door iets te zeggen of doen
- groene golf — verkeersregeling waardoor voor een voertuig dat een geadviseerde snelheid voor een bepaalde route aanhoudt veel verkeerslichten op groen staan
Vertalingen
Engelswave, gulf, golf
Fransvague, golfe, golf
DuitsWelle, Golf, Golf
Spaansonda, golfo, golf
Italiaansgolfo
Turksdalga, körfez
Poolsgolf
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek