gom
/ɣɔm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een gumMet een gom krijg je die streep nog best weg.
- een kleverige vloeistof die wordt gemaakt van het sap van bomenZorg dat je die gom niet aan je handen krijgt.
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘kleverige boomvloeistof’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
Engelsrubber, eraser, gum
Fransgomme, gomme
DuitsGummi, Gummi
Spaansgoma, goma
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek