graal

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een verborgen of verloren gegaan heilig voorwerp, volgens sommigen de beker gebruikt bij het laatste avondmaal door Jesus en zijn discipelen
    De graal te vinden was de vurige wens van de ridders van koning Arthur.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘magisch voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1276 in het werk 'Li contes del Graal' van Chrétien de Troyes

Vertalingen

Engelsgrail
Spaansgrial