granaathuls

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. holle buis die gevuld is met een explosief of ander strijdmiddel
    De bodem van een aan stukken geblazen granaathuls die zijn gezicht had doorploegd, zijn tong en tanden in een bloederige pap had veranderd zonder hem evenwel te doden, was op de plaats van zijn uitgerukte wang in het raamwerk van zijn kaakbeenderen blijven steken.
    In de gang fungeert een granaathuls als paraplubak. Op de deur naar de keuken hangt een lijstje met de weken die nog resten. In de kamer een grote bos bloemen. „Dat werd maandag bezorgd. Met een handgeschreven kaartje van Arie erbij.”
    Bij politiebureaus in Amsterdam zijn zaterdag rond de 90 wapens ingeleverd. Dat meldde de politie zondag. Bij de vangst zaten onder meer 39 vuurwapens, 15 luchtdrukwapens, tien nepvuurwapens, 15 steekwapens, drie alarmpistolen en een handgranaat. Ook zijn er 1060 stuks munitie en een granaathuls uit 1929 afgegeven.

Vertalingen

Engelsgrenade body, shell case