grasmaand
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈχrɑsmant/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- vierde maand van het kalenderjaar
Etymologie
*van Middelnederlands grasmaent; cognaat met gräsmånad; samenstelling van gras en maand, omdat rond die tijd het nieuwe gras opschiet
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek