grasmussen
/plaatshouder taxonomie/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) een familie van kleine zangvogeltjes die eerder door hun gezang vanuit het gebladerte van hun aanwezigheid getuigen dan dat men ze goed te zien krijgt. De familie telt 2 geslachten en meer dan 30 soorten, maar de opvattingen over deze indeling veranderen nogal eens
Etymologie
* "grasmus" met de uitgang -en
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek