grauw
/ɣrɑu/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (m) snauw
- (n) de grauwe kleur
- (n) gepeupel, plebs
- donkergrijs, kleurlooshij was de grauwe Hollandse luchten zat en vertrok naar het zonnige zuiden`Ach Pietje,' zei Sint, 'in die grauwe deken ben ik toch Sinterklaas.'
Etymologie
* In de betekenis van ‘gepeupel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588
Vertalingen
Engelsgrey
Fransgris
Duitsgrau
Spaansgris
Italiaansgrigio
Portugeescinzento
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek