grauw

/ɣrɑu/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (m) snauw
  2. (n) de grauwe kleur
  3. (n) gepeupel, plebs
  4. donkergrijs, kleurloos
    hij was de grauwe Hollandse luchten zat en vertrok naar het zonnige zuiden
    `Ach Pietje,' zei Sint, 'in die grauwe deken ben ik toch Sinterklaas.'

Etymologie

* In de betekenis van ‘gepeupel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1588

Vertalingen

Engelsgrey
Fransgris
Duitsgrau
Spaansgris
Italiaansgrigio
Portugeescinzento