gronden

/ˈɣrɔndə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. scheepvaart, verouderd (scheepvaart), (verouderd) de waterdiepte peilen met een dieplood, en eventueel tevens een monster van de bodem nemen door een vetgemaakte holte in de onderkant van het dieplood
    Bij het gronden bleef de diepte gelijk maar de kleur van de opgehaalde grond werd steeds lichter.
  2. economie, juridisch, verouderd (economie), (juridisch), (verouderd) het stichten/oprichten van een bedrijf, onderneming of instelling
    Zijn overgrootvader heeft het bedrijf in 1876 gegrond.
  3. techniek (techniek) het schilderen met grondverf
    De huisschilder heeft het houtwerk ontvet en hij is nu aan het gronden.
  4. techniek, verouderd (techniek), (verouderd) het met een grondschaaf maken van groeven met een vlakke bodem voor houtverbindingen
    De timmerman liet ziet zien hoe vroeger het gronden met de grondschaaf werd gedaan.

Etymologie

*: "grond" met de uitgang -en

Vertalingen

Engelsfathom, establish, found
Franssonder, fonder, abreuver
Duitspeilen, gründen, gründieren