gronden
/ˈɣrɔndə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (scheepvaart), (verouderd) de waterdiepte peilen met een dieplood, en eventueel tevens een monster van de bodem nemen door een vetgemaakte holte in de onderkant van het dieploodBij het gronden bleef de diepte gelijk maar de kleur van de opgehaalde grond werd steeds lichter.
- (economie), (juridisch), (verouderd) het stichten/oprichten van een bedrijf, onderneming of instellingZijn overgrootvader heeft het bedrijf in 1876 gegrond.
- (techniek) het schilderen met grondverfDe huisschilder heeft het houtwerk ontvet en hij is nu aan het gronden.
- (techniek), (verouderd) het met een grondschaaf maken van groeven met een vlakke bodem voor houtverbindingenDe timmerman liet ziet zien hoe vroeger het gronden met de grondschaaf werd gedaan.
Etymologie
*: "grond" met de uitgang -en
Vertalingen
Engelsfathom, establish, found
Franssonder, fonder, abreuver
Duitspeilen, gründen, gründieren
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek