grootoom

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. broer van iemands opa of oma
    “Wij willen laten zien dat herdenken niet alleen een militaire aangelegenheid is”, zegt Chielens, overtuigd pacifist. “Daarom mag Nick als medeorganisator de krans leggen.” Saunders heeft geen bezwaar. “Sinds vijf jaar weet ik dat ook de naam van een grootoom op de poort staat.” NRC Theo Toebosch 16 mei 2009 [https://www.nrc.nl/nieuws/2009/05/16/creatief-met-kogels-11728123-a380532 Creatief met kogels]
    Mijn grootoom had mij naar de kapel vergezeld. Ik had hem op het hart gedrukt dat God zou bewijzen dat hij bestond door bij het buiten komen een regendruppel in mijn hand te laten vallen. Dat gebeurde. Terwijl de zon scheen. Volgens mijn godsdienstlerares was zoiets niet hetzelfde als een misviering. Ik heb het haar nooit vergeven. NRC Annelies Verbeke 3 oktober 2007 [https://www.nrc.nl/nieuws/2007/10/03/restantje-11403895-a28029 Restantje]