grootteorde

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣrotəˌɔrdə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. ruwe indicatie van de omvang, met weinig precisie aangeduide hoeveelheid
    De heupvervangende operatie behoort tot de duurdere ingrepen, gemeten naar de winst in kwaliteit van leven. De kosten bedragen tien- tot honderdduizend euro per naar kwaliteit gecorrigeerd levensjaar. Dat ligt in dezelfde grootteorde als een harttransplantatie, cholesterolverlagende medicijnen voor patiënten die een hartaanval hebben overleefd en het installeren van airbags in Nederlandse auto`s.
  2. wiskunde (wiskunde) aanduiding om de grootte van een getal mee uit te drukken, uitgedrukt als de exponent van de dichtstbijzijnde macht van 10
    Voor elke extra grootteorde moet je met een extra factor 10 vermenigvuldigen. Grootteorden zijn vooral handig voor verschrikkelijk grote getallen.

Etymologie

*, als vooral in België gangbare (verkorting) van orde van grootte