woorden
boek
Start
›
G
›
gummi
gummi
/ˈɣʏmi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
rubber
rubberen, van rubber
Etymologie
*van het werkwoord gummen
Vertalingen
Engels
gum, rubber
Spaans
caucho, goma
Verwante woorden
Gummelsweg
gummen
gummetje
gummetjes
gummi-jas
gummi-jassen
gummiartikelen
gummibal
gummiballen
gummiband
gummibanden
gummihandschoen
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← gummetjes
gummi-jas →