haak

mannelijk (de)/haːk/

Wat is de betekenis van haak?

haak betekent: (techniek) een soort gebogen nagel [3], waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) een soort gebogen nagel [3], waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen
  2. Regel in genummerde lijst
  3. winkelhaak (3 mogelijkheden !)
  4. biologie (biologie) haakvormig gebogen plantendeel
  5. elk van de tekens, rond of met hoeken, om woorden of getallen af te zonderen dus ( ) [ ]
  6. gebogen stuk metaal met scherpe punt waarmee men vissen kan vangen
  7. zandplaat
  8. communicatie (communicatie) deel van een vaste telefoon waarop de hoorn ligt

Voorbeelden van "haak" in een zin

  • ' 'Dat gebeurt ons weleens,' zegt Nella over haar schouder, terwijl ze de ketel aan de haak hangt om het water voor de thee te koken.
  • Het vederwild hangt aan een haak en lijkt volledig uit veren en klauwen te bestaan.
  • De jas hangt aan de haak.
  • Helaas ben ik nooit een erg geduldige man geweest, dus ging ik al na een kwartier op een andere plek zitten om daar mijn geluk te beproeven. Toen ik ook daar geen succes had, zocht ik weer een andere plek op maar de vissen bleven vrolijk om mijn haak heen zwemmen.
  • Gedesillusioneerd rolde ik mijn vislijn weer op en borg het haakje weer veilig weg.

Betekenis en uitleg van haak

Een haak is een gebogen of gekromd voorwerp dat je kunt gebruiken om dingen aan op te hangen of vast te maken. Denk bijvoorbeeld aan de haak aan de muur waar je je jas aan ophangt of een haakje in de keuken voor je pannen.

Het woord 'haak' kan in verschillende contexten worden gebruikt, zoals in de doe-het-zelf wereld, waar het verwijst naar bevestigingsmiddelen voor gereedschap of decoraties. Ook in de sportwereld, zoals bij het vissen, is een haak essentieel om de vangst te kunnen binnenhalen. De nuance van het woord kan variëren afhankelijk van de toepassing, zoals een 'vishaken' versus een 'kledinghaak'.

Voorbeelden

  • Ik heb een haak aan de muur bevestigd om mijn fiets aan op te hangen.
  • De visser gebruikte een scherpe haak om de vis te vangen.
  • Ze hing haar handtas aan de haak bij de deur, zodat ze haar handen vrij had.

Woordoorsprong

Het woord 'haak' komt van het Oudnederlands 'hōk', dat ook verwijst naar een gebogen voorwerp. Het is verwant aan het Engelse 'hook'.

Veelgestelde vragen over haak

Wat is de betekenis van haak?

haak betekent: (techniek) een soort gebogen nagel [3], waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen

Hoeveel betekenissen heeft haak?

haak heeft 8 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft haak?

haak is een mannelijk (de).

Hoe gebruik je haak in een zin?

Voorbeeld: “' 'Dat gebeurt ons weleens,' zegt Nella over haar schouder, terwijl ze de ketel aan de haak hangt om het water voor de thee te koken.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gebogen voorwerp om iets vast te houden, op te hangen e.d.’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • De fiets aan de haak hangenStoppen met fietsen, de fiets aan de wilgen hangen (verwijst naar de wielersport)
  • Ergens zijn haak inslaanZich ongevraagd in iets mengen (een gesprek tussen anderen e.d.)
  • Niet in de haak zijnNiet goed zitten, niet kloppen, fout/verkeerd zijn
  • Aan de haak slaanIemand te pakken krijgen, met name in de zin dat het je lukt om een liefdesrelatie met iemand te krijgen na (langdurig) proberen (letterlijk: iemand die aan het hengelen is en dan een vis aan de haak heeft.)

Vertalingen

Engelshook
Franscrochet
DuitsHaken
Spaanspercha, alcayata, escarpia