haak

mannelijk (de)/haːk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) een soort gebogen nagel [3], waaraan men, als deze in de muur bevestigd is, voorwerpen kan ophangen
    ' 'Dat gebeurt ons weleens,' zegt Nella over haar schouder, terwijl ze de ketel aan de haak hangt om het water voor de thee te koken.
  2. Regel in genummerde lijst
    Het vederwild hangt aan een haak en lijkt volledig uit veren en klauwen te bestaan.
    De jas hangt aan de haak.
  3. winkelhaak (3 mogelijkheden !)
  4. biologie (biologie) haakvormig gebogen plantendeel
  5. elk van de tekens, rond of met hoeken, om woorden of getallen af te zonderen dus ( ) [ ]
  6. gebogen stuk metaal met scherpe punt waarmee men vissen kan vangen
    Helaas ben ik nooit een erg geduldige man geweest, dus ging ik al na een kwartier op een andere plek zitten om daar mijn geluk te beproeven. Toen ik ook daar geen succes had, zocht ik weer een andere plek op maar de vissen bleven vrolijk om mijn haak heen zwemmen.
    Gedesillusioneerd rolde ik mijn vislijn weer op en borg het haakje weer veilig weg.
  7. zandplaat
  8. communicatie (communicatie) deel van een vaste telefoon waarop de hoorn ligt
    Ze legde de hoorn weer op de haak en tikte haar sigaret af in een reusachtige marmeren asbak.

Etymologie

* In de betekenis van ‘gebogen voorwerp om iets vast te houden, op te hangen e.d.’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240

Uitdrukkingen

  • De fiets aan de haak hangenStoppen met fietsen, de fiets aan de wilgen hangen (verwijst naar de wielersport)
  • Ergens zijn haak inslaanZich ongevraagd in iets mengen (een gesprek tussen anderen e.d.)
  • Niet in de haak zijnNiet goed zitten, niet kloppen, fout/verkeerd zijn
  • Aan de haak slaanIemand te pakken krijgen, met name in de zin dat het je lukt om een liefdesrelatie met iemand te krijgen na (langdurig) proberen (letterlijk: iemand die aan het hengelen is en dan een vis aan de haak heeft.)

Vertalingen

Engelshook
Franscrochet
DuitsHaken
Spaanspercha, alcayata, escarpia