haal

mannelijk (de)/hal/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een heftige beweging met de gehele arm of poot
    De kat gaf hem een haal in zijn gezicht.
  2. een onbeheerste streep met potlood of pen
    De leraar zette een grote haal door de spelfout.

Uitdrukkingen

  • Met iets aan de haal gaanIets inpikken er dan mee vandoor gaan; iets exclusief voor zichzelf kapen

Vertalingen

Engelsstreak, stroke