haar
onzijdig (het)/har/
Betekenis
voornaamwoord
- bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoudZij heet Anna. Haar man heet Jan.Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.
- (verouderd) bezit aanduidend door derde persoon vrouwelijk meervoudDe vrouwen en haar gevoelens.
voornaamwoord
- accusatief van zij, derde persoon enkelvoudIk heb haar gisteren nog gezien.
- datief van zij, derde persoon enkelvoudIk heb haar gisteren nog dat boek gegeven.
- (verouderd) datief of accusatief van derde persoon meervoud
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) geheel van uitgroeisels van de epidermis bij zoogdieren die delen van of het gehele lichaam bedekken
- (anatomie) hoofdhaar, geheel van uitgroeisels van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
- plantenhaar, geheel van uitgroeisels op de opperhuid van planten
zelfstandig naamwoord
- (aardrijkskunde) hogere zandrug op de heide
Etymologie
*[C] (erfwoord) via Middelnederlands "hare" van Oudnederlands "hara", in de betekenis ‘hoogte in het veld’ aangetroffen vanaf 797
Uitdrukkingen
- al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel
- Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel — liegen keert zich tegen je, altijd! - met een leugen schiet iemand niets op omdat de waarheid altijd vroeg of laat naar buiten komt
- tot in de toppen van zijn (haar) vingers — door en door, helemaal, geheel en al
- Grijze haren van iets krijgen.
- Haar op de tanden hebben — erg moedig zijn in het geven van een mening/ Bazig zijn
- Alles op haren en snaren zetten — de uiterste best voor iets doen
- De haren ten berge rijzen — ergens erg van schrikken
- Een haar van de hond
Vertalingen
Engelsher, her, her
Franscheveu
Duitsihr, sie, ihr
Spaanspelo, cabello, vello
Russischеё, свой
Turksonu, ona, saç
Poolsjej, ją, jej
Zweedshenne
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek