haar

onzijdig (het)/har/

Wat is de betekenis van haar?

haar betekent: bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud

Betekenis

voornaamwoord
  1. bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud
  2. verouderd (verouderd) bezit aanduidend door derde persoon vrouwelijk meervoud
voornaamwoord
  1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
  2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
  3. verouderd (verouderd) datief of accusatief van derde persoon meervoud
zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) geheel van uitgroeisels van de epidermis bij zoogdieren die delen van of het gehele lichaam bedekken
  2. anatomie (anatomie) hoofdhaar, geheel van uitgroeisels van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  3. plantenhaar, geheel van uitgroeisels op de opperhuid van planten
zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) hogere zandrug op de heide

Voorbeelden van "haar" in een zin

  • Zij heet Anna. Haar man heet Jan.
  • Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.
  • De vrouwen en haar gevoelens.
  • Ik heb haar gisteren nog gezien.
  • Ik heb haar gisteren nog dat boek gegeven.

Betekenis en uitleg van haar

Het woord 'haar' verwijst naar de fijne, zachte strengen die op het hoofd en andere delen van het lichaam groeien. Het kan ook gebruikt worden om te verwijzen naar iets dat van een vrouw of een meisje is, zoals 'haar boek' of 'haar idee'.

Je gebruikt 'haar' wanneer je spreekt over iets dat toebehoort aan een vrouw of meisje, en het kan ook in bredere zin worden gebruikt om naar vrouwelijke eigenschappen of kenmerken te verwijzen. In gesprekken over mode, verzorging of zelfs emoties, komt het woord vaak naar voren. Het is een persoonlijk en intiem woord dat in veel contexten kan worden toegepast.

Voorbeelden

  • Zij droeg haar haar in een mooie vlecht voor het feest.
  • Ik heb haar nieuwe boek gelezen, en het was echt inspirerend.
  • Tijdens de vergadering gaf hij haar de kans om haar mening te delen.

Woordoorsprong

Het woord 'haar' komt van het Oudgermaanse 'hār', wat ook 'haar' betekent. Dit laat zien dat de term al heel lang in gebruik is om naar haargroei te verwijzen.

Veelgestelde vragen over haar

Wat is de betekenis van haar?

haar betekent: bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud

Hoeveel betekenissen heeft haar?

haar heeft 9 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft haar?

haar is een onzijdig (het).

Wat zijn synoniemen van haar?

Synoniemen van haar zijn: hunBezittelijk voornaamwoord, beharing, haren, haartje.

Hoe gebruik je haar in een zin?

Voorbeeld: “Zij heet Anna. Haar man heet Jan.

Etymologie

*[C] (erfwoord) via Middelnederlands "hare" van Oudnederlands "hara", in de betekenis ‘hoogte in het veld’ aangetroffen vanaf 797

Uitdrukkingen

  • al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel
  • Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar welliegen keert zich tegen je, altijd! - met een leugen schiet iemand niets op omdat de waarheid altijd vroeg of laat naar buiten komt
  • tot in de toppen van zijn (haar) vingersdoor en door, helemaal, geheel en al
  • Grijze haren van iets krijgen.
  • Haar op de tanden hebbenerg moedig zijn in het geven van een mening/ Bazig zijn
  • Alles op haren en snaren zettende uiterste best voor iets doen
  • De haren ten berge rijzenergens erg van schrikken
  • Een haar van de hond

Vertalingen

Engelsher, her, her
Franscheveu
Duitsihr, sie, ihr
Spaanspelo, cabello, vello
Russischеё, свой
Turksonu, ona, saç
Poolsjej, ją, jej
Zweedshenne