haar

onzijdig (het)/har/

Betekenis

voornaamwoord
  1. bezit aanduidend door een derde persoon vrouwelijk enkelvoud
    Zij heet Anna. Haar man heet Jan.
    Met haar metalen golfplaten dak leek deze plek me niet geschikt om bescherming te bieden, eerder een uitnodiging aan de bliksem om in te slaan.
  2. verouderd (verouderd) bezit aanduidend door derde persoon vrouwelijk meervoud
    De vrouwen en haar gevoelens.
voornaamwoord
  1. accusatief van zij, derde persoon enkelvoud
    Ik heb haar gisteren nog gezien.
  2. datief van zij, derde persoon enkelvoud
    Ik heb haar gisteren nog dat boek gegeven.
  3. verouderd (verouderd) datief of accusatief van derde persoon meervoud
zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) geheel van uitgroeisels van de epidermis bij zoogdieren die delen van of het gehele lichaam bedekken
  2. anatomie (anatomie) hoofdhaar, geheel van uitgroeisels van de epidermis dat delen van het hoofd bedekt
  3. plantenhaar, geheel van uitgroeisels op de opperhuid van planten
zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) hogere zandrug op de heide

Etymologie

*[C] (erfwoord) via Middelnederlands "hare" van Oudnederlands "hara", in de betekenis ‘hoogte in het veld’ aangetroffen vanaf 797

Uitdrukkingen

  • al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar wel
  • Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt haar welliegen keert zich tegen je, altijd! - met een leugen schiet iemand niets op omdat de waarheid altijd vroeg of laat naar buiten komt
  • tot in de toppen van zijn (haar) vingersdoor en door, helemaal, geheel en al
  • Grijze haren van iets krijgen.
  • Haar op de tanden hebbenerg moedig zijn in het geven van een mening/ Bazig zijn
  • Alles op haren en snaren zettende uiterste best voor iets doen
  • De haren ten berge rijzenergens erg van schrikken
  • Een haar van de hond

Vertalingen

Engelsher, her, her
Franscheveu
Duitsihr, sie, ihr
Spaanspelo, cabello, vello
Russischеё, свой
Turksonu, ona, saç
Poolsjej, ją, jej
Zweedshenne