haard
mannelijk (de)/hart/
Wat is de betekenis van haard?
haard betekent: (wonen) plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (wonen) plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
- (figuurlijk) plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt
Voorbeelden van "haard" in een zin
- Hij warmde zijn koude handen bij de haard.
- De haard is aangestoken en het vuur brandt fel en verkwikkend op de haardijzers.
- De haard van deze aardbeving bevond zich recht onder die stad.
Etymologie
*van Middelnederlands "hert", in de betekenis van ‘stookplaats’ aangetroffen vanaf 1350
Uitdrukkingen
- Eigen haard — Thuis, gezin en woning
- Van huis en haard verdreven zijn — Dakloos geworden zijn
- Huis en haard verlaten — uit de eigenwoning gaan
- Een man zonder vrouw is een haard zonder vuur. — Een man moet een vrouwelijke partner hebben
- Bij andermans haard is het goed warmen. — Bij iemand anders welkom zijn
Vertalingen
Engelshearth, firebox, focus
Fransfoyer, âtre
DuitsHerd
Spaansfogón, hogar, foco
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek