haarzak
mannelijk (de)/ˈharzɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) kleine flesvormige holte in de huid met de wortel van een haarIn deze betekenis wordt vaak het verkleinwoord "haarzakje" gebruikt.Een folliculitis is een ontsteking van de haarzakjes.Bij het proces dat elektrolyse wordt genoemd wordt een kleine elektrische stoom opgewekt, die een chemische reactie opwekt die het haarzakje vernietigd {{sic!
- (kleding) net of buidel die voorkomt dat hoofdhaar in de weg hangtEen chirurg moet tijdens het opereren een haarzak dragen.Rond 1820 volgen politieagenten in Utrecht bepaald niet de laatste mode. Het hoofd der politie draagt een groen jasje, een klein hoedje en een enorme haarzak met grote strik.
- (persoon) iemand die graag ruzie maakt of hebberig is{{ouds
Etymologie
*[3] herkomst onzeker, het eerste deel "haar" kan verwant zijn aan "Hader" "ruzie", het tweede deel kan het scheldwoord "zak" of een verbastering van "zaak" zijn, er kan ook een verband zijn met "aaszak",
Uitdrukkingen
- haarzak doen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek