hak

mannelijk (de)/hɑk/

Wat is de betekenis van hak?

hak betekent: (anatomie) hiel van de voet

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) hiel van de voet
  2. verhoging onder een schoen bij de hiel
  3. gereedschap (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken

Betekenis en uitleg van hak

Een hak is een deel van de voet dat zich aan de achterkant bevindt en de functie heeft om steun te bieden tijdens het staan en lopen. In bredere zin kan het ook verwijzen naar de hak van een schoen, die vaak een belangrijke rol speelt in de stijl en het comfort van schoeisel.

Het woord 'hak' wordt vaak gebruikt in de context van mode en schoeisel, vooral als het gaat om hoge hakken die een bepaalde uitstraling geven. Daarnaast kan 'hak' in informele gesprekken ook verwijzen naar het stevig neerzetten van een beslissing of actie, zoals in 'de hakken in de grond zetten'. Het gebruik van het woord kan variëren afhankelijk van de situatie, van casual tot meer formeel.

Voorbeelden

  • Ze droeg een paar prachtige hoge hakken naar het feest, wat haar uitstraling net dat beetje extra gaf.
  • Na lang twijfelen zette hij eindelijk zijn hakken in de grond en besloot hij voor een nieuwe carrière te kiezen.
  • De kinderen renden over het gras, terwijl ze af en toe met hun hakken de modder omhoog spatten.

Woordoorsprong

Het woord 'hak' komt vermoedelijk van het oudgermaanse 'hakan', wat verwijst naar het achterste gedeelte van de voet.

Veelgestelde vragen over hak

Wat is de betekenis van hak?

hak betekent: (anatomie) hiel van de voet

Hoeveel betekenissen heeft hak?

hak heeft 3 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft hak?

hak is een mannelijk (de).

Etymologie

* In de betekenis van ‘landbouwwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1301

Uitdrukkingen

  • een hak zetten
  • met de hakken over de sloot halen
  • op de hak nemen
  • van de hak op de tak springen

Vertalingen

Engelsheel, hoe
Franstalon, houe
DuitsFerse, Hacke
Spaanstacón, azada
Turkstopuk, çapa, kazma
Poolsmotyka
Zweedshacka