hak

mannelijk (de)/hɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. anatomie (anatomie) hiel van de voet
  2. verhoging onder een schoen bij de hiel
  3. gereedschap (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken

Etymologie

* In de betekenis van ‘landbouwwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1301

Uitdrukkingen

  • een hak zetten
  • met de hakken over de sloot halen
  • op de hak nemen
  • van de hak op de tak springen

Vertalingen

Engelsheel, hoe
Franstalon, houe
DuitsFerse, Hacke
Spaanstacón, azada
Turkstopuk, çapa, kazma
Poolsmotyka
Zweedshacka