hak
mannelijk (de)/hɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (anatomie) hiel van de voet
- verhoging onder een schoen bij de hiel
- (gereedschap) werktuig om de grond mee open te hakken
Etymologie
* In de betekenis van ‘landbouwwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1301
Uitdrukkingen
- een hak zetten
- met de hakken over de sloot halen
- op de hak nemen
- van de hak op de tak springen
Vertalingen
Engelsheel, hoe
Franstalon, houe
DuitsFerse, Hacke
Spaanstacón, azada
Turkstopuk, çapa, kazma
Poolsmotyka
Zweedshacka
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek