handboei
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɑndbuj/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een paar aan elkaar verbonden afsluitbare ringen, meestal van staal of een moeilijk te breken kunststof vervaardigd waarmee iemand de handen gebonden wordenDe hindoestaanse gebedsgenezer is door zijn moordenaars - de man was samen met een vrouw - ernstig mishandeld en verminkt. Hij is geschopt, met een gordijnroede geslagen en in zijn been gestoken. Ook propten de daders een onderbroek in zijn mond en boeiden ze hem met handboeien.
Vertalingen
Engelshandcuff
DuitsHandschellen
Deenshåndjern
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek