hands

vrouwelijk (de)/hɛn(t)s/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) (voetbal) met de hand aanraken van de bal door veldspelers, wat tegen de spelregels is als het met opzet gebeurt en met een vrije trap wordt bestraft
tussenwerpsel
  1. sport (sport) (voetbal) uitroep om de aandacht te vestigen op het tegen de regels met de hand aanraken van de bal
  2. sport (sport) (voetbal) in strijd met de spelregels met de hand aanraakt zijn van de bal
    Hij had de bal niet zien aankomen, maar de scheidsrechter gaf toch hands.
zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) van hand
    Soo wie in my gelooven sal,Gestut door d'algenadeMijns hands, sal boven dit getalNoch doen vry grooter daden.

Etymologie

*[B] hand met de uitgang -s