hands
vrouwelijk (de)/hɛn(t)s/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) (voetbal) met de hand aanraken van de bal door veldspelers, wat tegen de spelregels is als het met opzet gebeurt en met een vrije trap wordt bestraft
tussenwerpsel
- (sport) (voetbal) uitroep om de aandacht te vestigen op het tegen de regels met de hand aanraken van de bal
- (sport) (voetbal) in strijd met de spelregels met de hand aanraakt zijn van de balHij had de bal niet zien aankomen, maar de scheidsrechter gaf toch hands.
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) van handSoo wie in my gelooven sal,Gestut door d'algenadeMijns hands, sal boven dit getalNoch doen vry grooter daden.
Etymologie
*[B] hand met de uitgang -s
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek