handvleugelige
mannelijk (de)/hɑntˈfløɣələɣə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (vleermuizen) (formeel) benaming voor zoogdieren uit de orde die kunnen vliegen dankzij een vlieghuid die hun staart en achterpoten verbind met de sterk verlengde vingers en zo twee vleugels vormtIn het schijnsel van de gang zie ik iets wat het formaat heeft van een kleine handvleugelige, maar dit beestje is helemaal kaal.
Etymologie
*: leenvertaling van modern Latijn "chiroptera", op te vatten als afleiding van "handvleugelig"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek