harembroek

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈharəmˌbruk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) heel wijd vallende broek van soepele stof die nauw sluit rond de enkels
    De foto’s had hij thuis aan de muur, hij poseerde ervoor als variétéartiest met ontbloot bovenlijf, een korte broek of juist een harembroek, lippenstift en mascara. Tegen bezoekers zei hij dat hij vroeger had gewerkt als acrobaat in het circus.