hebberigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het te grote verlangen naar meer bezit
    Het speelde geen rol in de wereld van vandaag omdat koning Leopold II Duitser noch nazi was, alleen een Europese imperialist die een volkerenmoord op touw had gezet op grond van gewone hebberigheid en niet van een kwade ideologie.

Etymologie

* afleiding van hebberig