Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

hede

vrouwelijk (de)/ˈhedə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verwarde, grove bij het hekelen afgescheiden afvaldraden van vlas of hennep, vooral de langere draden

Etymologie

*uit Middelnederlands (oostelijk) "hede", een r-loze nevenvorm van "herde" / "heerde" "vlasvezel", vergelijk Zuidnederlands "heerd" "vlasstengel"; ontwikkeld uit Oergermaans *hezdōn, cognaat met "haar", "heord" "vlasvezels" en "haddr" "lang hoofdhaar, dat dagelijks gekamd moet worden"; afleiding van *kes- "kammen, hekelen", waaruit ook "čèšati" "kammen, afplukken" Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 225.

Vertalingen

Engelstow, oakum, hards
Fransfilasse, étoupe
DuitsWerg, Hede
Spaansestopa
Italiaanscapecchio, stoppa
Portugeesestopa
Russischпа́кля
Poolspakuły