heen
onzijdig (het)/hen/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) grasachtige soort, in de familie van de cypergrassenfamilie (). De soort komt voor in gematigde en warme streken van Australië, Oost-Canada, Azië, Afrika en Europa. Ze is ingeburgerd in Noord- en Zuid-Amerika. In Vlaanderen en Nederland is heen algemeen in de kuststreek, in polders en langs rivieren
Etymologie
#~ en weer: in een bepaalde richting en weer terug
Uitdrukkingen
- Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen — als twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
- Door de zure appel heen bijten — beginnen met een lastig/vervelend karwei
- Op hoge poten ( of benen) ergens heen gaan — Stoett-1864 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]
- Over zijn eigen schaduw heen springen
Vertalingen
Engelsaway
Spaansfuera, lejos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek