heen-en-weer

mannelijk (de)/ˌhenɛɱˈwer/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. trein- of bootkaartje voor een reis in beide richtingen
    Mag ik een heen-en-weertje van u?
  2. schip dat een veerdienst over een rivier verzorgt
  3. (naaiwerk) dicht op elkaar herhaalde steken om af te hechten

Etymologie

*(samenkoppeling) ontstaan uit de bijwoordelijke uitdrukking heen en weer

Uitdrukkingen

  • [2] het heen-en-weer krijgen