retour

/rəˈtur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (n): kaartje voor heen- en terugreis
    Mag ik twee retourtjes Utrecht?
    Koop een retourtje naar Bilbao voor rond de 100 euro.
  2. (m): teruggang, neergang
    Hij is op z'n retour (heeft betere tijden gekend).

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bijwoord van richting: terug’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1508