heg
mannelijk/vrouwelijk (de)/hɛx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een (meestal lijnvormige) aanplanting van struiken en/of bomen die dient om ruimten te scheiden
Etymologie
* In de betekenis van ‘haag’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Vertalingen
Engelshedge
DuitsHecke
Spaanscercado, seto
Italiaanssiepe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek