heidag
mannelijk (de)/ˈhɛidɑx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- bijeenkomst voor leidinggevenden van een bedrijf op een externe, vaak afgelegen locatie waar men in alle rust vergaderingen, seminars, lezingen en trainingen kan organiserenBegin vorige week had de top van het bestuur een ‘heidag’ om te discussiëren over de gedwongen verkoop, aldus het Tennet-document. Ze troffen elkaar op het terrein van het Limburgse industriecomplex Chemelot. Na een „praatje bij het haardvuur” met Chemelot-bestuurder Loek Radix deelden ze de „reflecties op de kerstdagen” en gingen in discussie over de „gevolgen en mogelijkheden” van een volledige overname door Duitsland. Ook zou er „een eerste beeld” worden gevormd waarvoor de opbrengsten zouden kunnen worden gebruikt.Het is afgelopen met de collectieve know-how van management-teams, die de hei opgingen, door relatie-wetenschappers werden gedwongen om waarheidsspelletjes te spelen en om mekaar verbaal op de bek te slaan, teneinde iedere hei-dag te kunnen besluiten met een avondmaal waarin brood en wijn zo communicatief werden genoten dat het haast Witte Donderdag werd.
Etymologie
*, om aan te geven dat het om een samenkomst op een afgelegen plaats gaat, in de betekenis van "bijeenkomst voor leidinggevenden op afgelegen plaats" aangetroffen vanaf 1993 (zie vindplaats hieronder)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek