hek

onzijdig (het)/'hɛk/

Wat is de betekenis van hek?

hek betekent: (bouwkunde) deels open constructie om een gebied af te scheiden van de omgeving

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde (bouwkunde) deels open constructie om een gebied af te scheiden van de omgeving
  2. draaibaar deel van een omheining, het deel dat als toegang gebruikt wordt
  3. molenaarsambacht (molenaarsambacht) raamwerk van latten van een molenwiek
  4. scheepvaart (scheepvaart) de bovenachterzijde van een schip, achterreling

Voorbeelden van "hek" in een zin

  • Om het veld heen liep een hek, zodat de bal niet makkelijk de weg op kon rollen.
  • De opzichter ontsluit het ijzeren hek, dat het station Eismeer van de steile, naakte rotswand scheidt.
  • {{ouds

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "hecke" van Oudnederlands "hekki", als deel van toponiem aangetroffen vanaf 1025 en als woord in de betekenis van ‘rastering’ vanaf 1227

Uitdrukkingen

  • De wind niet door de hekken laten waaienElke mogelijke gelegenheid benutten
  • Als het hek van de dam is, lopen de schapen overal.Wanneer er geen toezicht is, doet men wat men maar wil (vgl. als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel)
  • De een mag een koe stelen, de ander mag nog niet over het hek kijken.Er wordt met twee maten gemeten, de een mag veel terwijl de ander niks of veel minder mag
  • De hekken zijn verhangen.De situatie is geheel veranderd (vgl. De bordjes zijn verhangen)
  • Het hek is van de dam.Er is geen belemmering meer, zodat iedereen nu kan doen wat hij wil (vaak in negatief opzicht)

Vertalingen

Engelsfence, gate, frame
Fransclôture, grille, châssis