hekel

mannelijk (de)/ˈhekəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) een werktuig gebruikt bij het verwerken van hennep of vlas
    Hij haalde de bundel hennepvezels over de hekel.
  2. sterke afkeer
    Hij had een enorme hekel aan de herrie van zijn buren.
    Albert kon haar wel duizend keer uitleggen dat dat er niets mee te maken had, zijn moeder was niet van het soort dat zomaar van mening veranderde, zij vond altijd weer andere voorbeelden en redenen, en had er een hekel aan ongelijk te hebben; ook in haar brieven kwam ze nog steeds terug op dingen van jaren geleden, het was doodvermoeiend. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Inmiddels begint ze zélf een hekel aan de geur te krijgen.

Etymologie

*[2] onstaat uit de betekenis ‘vlaskam’ door figuurlijk gebruik van "hekelen" en de uitdrukking "over de hekel halen", in de betekenis van ‘afkeer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1785

Uitdrukkingen

  • Iemand over de hekel halen.scherpe kritiek hebben over iemand, (achter de rug) kwaadspreken over iemand

Vertalingen

Engelshackle, hatchel, aversion
Fransséran, sérançoir
DuitsHechel, Abneigung, Ekel
Spaansrastrillo, antipatía
Italiaanspettine
Portugeesripanço, ripador
Russischчесалка
Zweedshäckla
Deenshegle